Laattijdig PV leidt tot vrijspraak

Download de gratis appvoor android of iOS     Schrijf je in voor de nieuwsbriefen blijf op de hoogte    Stel je vraagGratis juridische vragen stellen


Een tijd geleden berichtten de Standaard, De Morgen en Het Laatste Nieuws allen op identieke wijze over een hardrijder te Bergen die vrijuit ging omdat de bestuurder met een firmawagen reed. Betekent dit dat iedere bestuurder van een bedrijfswagen voortaan vrijuit gaat? Enige nuance is op zijn plaats.

Waarover gaat het?

Een chauffeur werd geflitst aan 172 km/u. Van deze feiten werd een P.V. opgesteld en vervolgens verstuurd naar de eigenaar van de wagen, een onderneming. De overtreder zelf ontving geen (tijdig) afschrift van het P.V.

De politierechtbank veroordeelde de man desondanks tot een geldboete en een rijverbod, maar deze stelde hoger beroep in bij de correctionele rechtbank te Bergen.

Bij de behandeling van de zaak door de correctionele rechtbank werd de man vrijgesproken.

Het probleem

De verdediging van de man in kwestie komt hierop neer.

In de eerste plaats hebben P.V.’s principieel altijd maar de waarde van een inlichting. Bovendien geldt in het strafrecht het vermoeden van onschuld: zolang het tegendeel niet bewezen is, wordt iedereen geacht onschuldig te zijn. Dit vermoeden heeft tot gevolg dat de verdachte moet worden vrijgesproken, wanneer er twijfel bestaat of hij een bepaald misdrijf heeft begaan.

Inzake verkeersovertredingen liggen de zaken enigszins anders.

Volgens artikel 62 van de Wegverkeerswet genieten de vaststellingen van de politiediensten inzake verkeersovertredingen “bewijskracht zolang het tegendeel niet is bewezen”. Wanneer een bevoegd persoon stelt dat iemand een overtreding beging, wordt aangenomen dat dat klopt. Tenzij wanneer het tegenbewijs wordt geleverd of wanneer bepaalde voorschriften niet worden nageleefd. In een situatie waar er enkel het woord is van de overtreder en dat van de politie, primeert dus steeds het woord van de verbalisant. De overtreder dient in dat geval dus te bewijzen dat hij de overtreding niet beging. Dit kan schriftelijk, door een plaatsopneming of door middel van getuigen, wanneer de rechter dit getuigenbewijs toelaat (Cass. 11 maart 2009, Arr. Cass. 2009, afl. 3). Een eenvoudige ontkenning door de overtreder zal doorgaans dus niet volstaan.

Artikel 62 vervolgt echter: “Een afschrift van de processen-verbaal wordt aan de overtreders gezonden binnen een termijn van 14 dagen, te rekenen van de datum van de vaststelling van de misdrijven.” De rechter kan dus oordelen dat een laattijdig PV, geen bijzondere bewijswaarde meer geniet. Het P.V. krijgt in dat geval opnieuw de waarde van een gewone inlichting en primeert niet langer op de verklaring van de verdachte.

Ook in dit geval was er sprake van een laattijdig PV. Het PV werd immers niet (tijdig) aan de overtreder gezonden, maar enkel naar de eigenaar van de wagen, de onderneming. Geen probleem, vond het Openbaar Ministerie: omwille van art. 67ter Wegverkeerswet volstaat de kennisgeving aan de onderneming.

De verdediging vond echter dat er sprake was een discriminerende situatie. Is een voertuig eigendom van een natuurlijk persoon, dan geniet een P.V. enkel bijzonder bewijskracht indien het afschrift ervan binnen de 14 dagen aan de overtreder wordt verzonden. Is hetzelfde voertuig eigendom van een onderneming, dan zou het volstaan om het afschrift binnen de veertien dagen te versturen aan de onderneming. De overtreder (die misschien nooit een afschrift van het P.V. ontving) zou de bijzondere bewijskracht van het laattijdig PV dan later niet meer kunnen betwisten.

Ook de correctionele rechtbank vreesde dat er sprake kon zijn van discriminatie en stelde daarover een vraag aan het Grondwettelijk Hof.

Het standpunt van het Grondwettelijk Hof

Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat het bij voertuigen ingeschreven op naam van een onderneming onmogelijk is om een rechtstreeks verband te leggen tussen het voertuig waarmee de overtreding is begaan en de overtreder. Een P.V. dat aan de overtreder wordt verzonden via de rechtspersoon, kan dus effectief niet dezelfde bewijswaarde hebben als een P.V. dat rechtstreeks wordt toegezonden aan een natuurlijke persoon op wiens naam het voertuig is ingeschreven.

Het Hof vergeleek de situatie met het geval waarin een natuurlijk persoon een overtreding begaat met het voertuig van een ander natuurlijk persoon. Het P.V. geniet dan geen bijzondere bewijskracht indien het niet tijdig aan de eigenlijke overtreder is bezorgd.

De correctionele rechtbank te Bergen paste deze redenering dan ook toe op de zaak in kwestie. Zij oordeelde dat het P.V. geen bijzondere bewijskracht meer genoot en sprak de beklaagde vrij.

De gevolgen

Betekent dit dat de bestuurders van firmawagens voortaan ook steeds vrijuit gaan? Niet helemaal.

Ten eerste kent België (in tegenstelling tot bepaalde buurlanden) principieel geen bindende precedentenwerking. De ene rechtbank is dus niet gebonden door wat de andere beslist. Een Vlaamse politierechtbank hoeft dus niet per se rekening te houden met wat door de correctionele rechtbank te Bergen wordt beslist.

Bovendien mag het arrest van het Grondwettelijk Hof ook niet verkeerd worden geïnterpreteerd. Het Grondwettelijk Hof bevestigde slechts dat aan een P.V. geen bijzondere bewijswaarde meer toekomt wanneer het niet binnen de 14 dagen aan de overtreder wordt bezorgd. Het wordt daardoor echter niet “ongeldig”, zoals soms wordt beweerd. Aangezien de rechter in strafzaken vrij oordeelt over het bewijsmateriaal, kan hij dus nog steeds een veroordeling uitspreken op grond van dergelijk laattijdig P.V.

De rechtbank zal het P.V. enkel effectief terzijde schuiven wanneer door de laattijdige verzending de rechten van verdediging werden geschonden. Worden de rechten van verdediging niet geschonden, dan kan de rechter het P.V. gerust mee in zijn overweging nemen. Van doorslaggevend belang is de vraag of de rechten van verdediging werden geschonden. In het ontkennende geval kan de rechtbank daar zonder enig probleem rekening mee houden.

Bovendien kan de rechtbank haar oordeel probleemloos steunen op andere elementen in het dossier. Bij flitstoestellen kan de rechter de feiten dus nog steeds bewezen verklaren op de grond van de foto, ook al genoot het P.V. geen bijzondere bewijskracht meer.

Een laattijdig verzonden P.V. verliest dus niet zonder meer alle bewijskracht en leidt alvast niet automatisch tot de vrijspraak.


Download de gratis appvoor android of iOS     Schrijf je in voor de nieuwsbriefen blijf op de hoogte    Stel je vraagGratis juridische vragen stellen

Fileratten
Geflitst! Wat nu?
Vertel het voort!
Categories: NIEUWSFLITSEN